Geldleningen binnen de familie of tussen partners: let op verjaring

In veel families wordt onder elkaar geld geleend. Zo kunnen ouders hun kinderen geldlenen voor de aanschaf van een woning of voor iets anders. Ook komt het voor dat kinderen hun ouders geldlenen zodat zij hun huis niet hoeven te verkopen om een aangename oude dag te hebben. Veel varianten zijn denkbaar. Het probleem dat vaak over het hoofd wordt gezien is verjaring.

De verjaringstermijn begint te lopen op de dag dat de schuld op zijn vroegst zou kunnen worden opgeëist. Als de schuld te allen tijde opeisbaar is, is dat dus op de dag dat de lening wordt verstrekt. Als vervolgens twintig jaar verstrijken zonder dat de lening is afgelost, is de schuld verjaard en hoeft deze niet meer te worden terugbetaald. Vrijwillig betalen mag uiteraard wel.

Wellicht denkt een slimme lezer: he, dat biedt perspectief, ik leen geld uit aan mijn kinderen, direct opeisbaar en na twintig jaar is de schuld verjaard en is het geld definitief van de kinderen. Omdat het geen schenking is maar verjaring, hoeft geen schenkbelasting te worden betaald. Inderdaad, als sprake is van verjaring, is het geen schenking. Echter, als het van voor af aan niet de bedoeling was de lening op te eisen, was het geen lening, maar al meteen een schenking. Zo simpel is die truc dus niet.

De problematiek van de verjaring speelt tussen ouders en kinderen in de praktijk misschien niet zo vaak (hoewel een pijnlijk geval uit de rechtspraak bekend is), tussen partners ligt dat heel anders.

Stel voor dat twee samenwoners gezamenlijk een huis hebben gekocht. Een van de samenwoners heeft € 50.000 eigen geld ingebracht. Om dit te compenseren, staat in het samenlevingscontract dat de partner die het eigen geld heeft ingebracht een direct opeisbare vordering heeft op de andere partner van € 25.000 (reken maar na, dit is echt het juiste bedrag). Als dit stel na 23 jaar de samenwoning beëindigd, is de schuld verjaard en kan de partner die het eigen geld heeft ingebracht fluiten naar zijn geld. In dit soort gevallen is het dus beter dat in het samenlevingscontract wordt bepaald dat de schuld pas opeisbaar is bij het eindigen van de samenwoning.

Als het stel uit het voorbeeld getrouwd zou zijn geweest dan zegt de wet dat de verjaringstermijn wordt opgeschort tot 6 maanden na de ontbinding van het huwelijk. Anders gezegd, als na 23 huwelijk echtscheiding volgt, heeft de echtgenoot die het eigen geld inbracht na de echtscheiding nog 6 maanden de tijd om zijn geld op te eisen. In de praktijk blijkt dat deze termijn vaak te kort is. Vanzelf speelt een en ander bij gehuwden alleen als zij buiten gemeenschap van goederen waren getrouwd. Als het echtpaar in gemeenschap van goederen zou zijn getrouwd zou van een schuld van de ene echtgenoot aan de andere waarschijnlijk geen sprake zijn.

Bij het opstellen van geldleningen en andere schuldbekentissen moet dus goed worden opgelet hoe deze worden geformuleerd. Het is belangrijk dat hierbij de opeisbaarheid niet wordt vergeten omdat de schuld na het opeisbaar worden na 20 jaar verjaard. Als tussen de schuldeiser en de schuldenaar sterke banden bestaan, zoals tussen ouders en kinderen en tussen partners, kan het weleens verkeerd aflopen als de banden verslappen en dan pas wordt gedacht aan de schuld. Wellicht is naast de relatie ook het geld weg.

Bron: Actuele artikelen